Geschiedenis

Kort overzicht geschiedenis Hervormde gemeente Appelscha

Oorspronkelijk gingen de leden van de Hervormde gemeente in Oud-Appelscha, dichtbij Terwisscha, naar de kerk. Toen de vervening nog niet was begonnen, was de Boerestreek met de Brink het centrum van Appelscha.

In 1817 was de Vaart van Appelscha naar Oosterwolde gegraven. In 1827 begon men met het afgraven van het veen in Appelscha e.o. De turf kon nu vervoerd worden over de Vaart en ook zorgde de Vaart voor een betere afwatering. Veel arbeiders trokken nu naar Appelscha. Hierdoor groeide het inwonertal sterk en dus ook het aantal gemeenteleden.
De Hervormde gemeente van Appelscha was kerkelijk verbonden met Oosterwolde en Fochteloo. Er kwam echter steeds meer verzet tegen dit verplichte samengaan. Appelscha wilde graag zelfstandig worden. In 1839 richtte de kerkenraad, gesteund door kerkvoogden en stemgerechtigde leden een verzoek aan koning Willem I om een eigen predikant te mogen beroepen.
In hetzelfde jaar ontving de kerkenraad een positief bericht. Er moest echter wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan, zoals een passende predikantswoning en ook financieel moest het haalbaar zijn. De kerkenraad antwoordde de koning daarop dat aan deze voorwaarden kon worden voldaan. De kerkenraad kreeg een lijst met een zestal namen van predikanten waaruit een keuze kon worden gemaakt.
De Hervormde kerk was een staatskerk en de gemeente mocht niet zelf het beroepingswerk uitvoeren.
Alle kandidaten preekten vervolgens in Appelscha en uiteindelijk werd ds. Conrad Meijer beroepen. Hij nam het beroep aan en zo kreeg de gemeente zijn eerste eigen predikant.
Het dorp Appelscha breidde zich steeds verder uit in oostelijke richting vanwege de vervening. Hierdoor werd de afstand naar de kerk te Oud-Appelscha steeds groter.
De stemgerechtigden die floreenbelasting betaalden, veelal boeren, besloten de grietman, G.W.T. Lykclama à Nijeholt te vragen om de kerk te Oud-Appelscha te mogen afbreken en in Nieuw-Appelscha een nieuw kerkgebouw met toren te mogen bouwen. De kerk in Oud-Appelscha verkeerde in slechte staat. De klokken konden zelfs niet meer worden geluid, “want de toren noch het klokhuis konden het luiden van de klok verdragen”.
Vanwege de slechte toestand van de kerk werden de kerkdiensten – met toestemming van B & W – in de (openbare) school gehouden. Dat besluit zorgde overigens nog voor enig gedoe binnen de kerkenraad, want men vroeg zich af of het Heilig Avondmaal wel in een school gevierd mocht worden!
De kerkvoogden besloten nu om de kerk te Oud-Appelscha op te knappen, zodat er weer diensten gehouden konden worden.

Op 14 april 1869 vond de aanbesteding van de nieuwe kerk aan de Vaart Z.Z. plaats en op 13 mei 1870 werd de kerk opgeleverd. Voortaan werden hier nu ook elke zondag kerkdiensten gehouden. In juni 1870 besloot de gemeente Ooststellingwerf om bij de nieuwe kerk een toren te plaatsen. De toren is nog steeds eigendom van de burgerlijke gemeente.
Er kwam ondertussen ook een noodkreet uit de pastorie. Deze verkeerde in zeer slechte staat en ds. Okken schreef de kerkenraad dat er iets moest gebeuren aan de slechte woontoestand. Er was echter geen geld voor het bouwen van een nieuwe pastorie. Overigens verkeerden veel gemeenteleden in nog veel slechtere woonomstandigheden.
De gemeente te Oud-Appelscha en de gemeente te Nieuw-Appelscha hadden hun eigen kerkenraad, en kerkvoogdij. Er was regelmatig geharrewar over het beroepen van een nieuwe predikant en de bijdrage aan het traktement door de floreenplichtigen van Oud – en Nieuw-Appelscha. Continu geldgebrek en ook onwilligheid van de floreenplichtigen om te betalen, waren ook oorzaak van steeds terugkerende onenigheid. Uiteindelijk werd in 1882 besloten om één gemeente te zijn.

In de jaren tachtig van de 19e eeuw ontstond er bovendien veel sociale onrust in Appelscha. De crisis bereikte haar dieptepunt in 1888. De turfprijzen waren laag door de winning van steenkool uit de mijnen van Zuid-Limburg. De lonen van de veenarbeiders bleven gelijk, maar de prijzen van o.a. levensmiddelen stegen. Er kwamen steeds meer aanvragen voor steun van de diaconie. Het was lastig om met het beschikbare geld een keuze te maken en bovendien was het vaak een druppel op een gloeiende plaat. De arbeiders aten in de wintertijd alleen maar aardappelen. Enkele veenarbeiders uit het tegenwoordige Ravenswoud trokken in de strenge winter van 1892 naar armvoogd Andries van Rozen om een roggebrood. Ze kregen een brood mee met de boodschap voorlopig niet weer te komen. Een roggebrood voor een gezin van zeven personen was snel op. De arbeiders klaagden hun nood bij enkele bestuursleden van de Sociaal Democraten en deze trokken in optocht met de afgewezen mannen naar de armvoogd om verhaal te halen. Ze kregen ieder 5 pond roggebrood mee, want de armvoogd voelde zich bedreigd. Hij lichtte de burgemeester in en de bestuursleden werden gearresteerd. Ze kregen uiteindelijk 15 maanden gevangenisstraf.
Veel arbeiders voelden zich door de kerk in de steek gelaten, alhoewel de diaconie bleef helpen.

De kerk in Oud-Appelscha verkeerde weer in slechte staat en bovendien liep het kerkbezoek in Oud-Appelscha terug.
Op 19 december 1906 werd na afloop van de kerkdienst een vergadering belegd met de kerkenraad op verzoek van een aantal leden. Zij lieten de kerkenraad weten, dat velen de kerk wensten te verlaten. Op 27 december van hetzelfde jaar stond een lange rij mensen te wachten om een handtekening – veelal een kruisje – te zetten. Daarmee verklaarden zij met alle godsdienst en de kerk te willen breken. Zij waren ook niet meer afhankelijk van de kerk, want de nieuwe sociale wetgeving zorgde ervoor dat zij in veel gevallen een uitkering konden ontvangen van de burgerlijke overheid.
Een donkere bladzijde in de geschiedenis van de Hervormde gemeente te Appelscha.

In 1906 waren er plannen om een school voor Christelijk Volksonderwijs te stichten.
Echter.. in 1911 werd een school voor Christelijk Nationaal Onderwijs gesticht op initiatief van de gereformeerden. Er blijkt ook een bespreking geweest te zijn van de kerkenraad van de Hervormde gemeente met het schoolbestuur, maar over het resultaat hiervan is niets bekend.

De betrokkenheid van de kerkenraad bij het pastorale werk was niet altijd even groot. Ds. Snethlage deed een ernstig beroep op de ouderlingen, maar ze waren moeilijk te porren voor het bezoekwerk.

In 1939 wilde de kerkenraad het feit herdenken dat honderd jaar geleden de eerste predikant werd bevestigd. Er werd een feestelijke avond gepland en op de zondag zou een dankdienst worden gehouden. Tevens zou een comité worden gevormd dat geld ging inzamelen voor nieuwe doopvonten in beide kerken. Helaas kwam er weinig terecht van de feestelijkheden, want door de oorlogsdreiging wilde de kerkenraad geen feest houden. Velen waren ook opgeroepen voor militaire dienst, waaronder een diaken.
De predikant had het erg druk, want hij had tevens de pastorale zorg voor het sanatorium. De aanstelling van een hulpprediker die door de synode werd betaald, zorgde ervoor dat er meer pastorale zorg beschikbaar was voor de gemeente.
In 1947 vroeg ouderling Kampen of het roken verminderd kon worden. De kerkenraad voelde hier niets voor, “want zij wilden niet beroofd worden van de traditionele sigaar.”
In 1951 werd een nieuwe kerkorde ingevoerd . De kerkvoogdij kreeg een andere status en de kerkvoogden heetten voortaan ouderling-kerkvoogd en maakten nu ook deel uit van de kerkenraad. De notabelen hadden nu geen rol van betekenis meer, maar bleven wel adviserend lid van de kerkvoogdij.
In 2000 werd de kerk van Oud-Appelscha verkocht. Het aantal kerkgangers was gering geworden en ook financieel was het niet meer vol te houden voor de Hervormde gemeente van Appelscha.
Er ontstond steeds meer samenwerking met de Gereformeerde kerk van Appelscha, dat resulteerde in Samen op Weg. Uiteindelijk zijn de beide gemeenten eind 2013 gefuseerd tot de Protestantse gemeente van Appelscha.

Het kerkgebouw, De Schutse, aan de Vaart is in 2015 geheel opgeknapt en is nu het nieuwe kerkelijk centrum van de Protestantse gemeente.

Kort overzicht van de geschiedenis van de Gereformeerde kerk te Appelscha

In oktober 1834 besloot ds. Hendrik de Cock, predikant te Ulrum, zich af te scheiden van de Nederlands Hervormde kerk uit onvrede over de inhoud van de prediking in veel kerken.

Na de Afscheiding te Ulrum volgden al spoedig verschillende andere plaatsen. Ds. De Cock werd zelfs gevangen gezet en vestigde zich na zijn gevangenschap tijdelijk met zijn gezin in Smilde bij vrienden/geloofsgenoten. Vanuit Smilde preekte hij ook geregeld in de Afgescheiden gemeenten in de buurt of op huisbijeenkomsten met “vromen” die ontevreden waren over de prediking in hun eigen kerkelijke gemeente. Zo preekte hij ook geregeld voor een groep geloofsgenoten in Appelscha.

Overigens voerden oefenaars ook vaak het woord. Oefenaars waren mannen die de bevoegdheid hadden of zichzelf geschikt achtten om een stichtelijk woord te spreken “ter onderrichting, vertroosting en vermaning”.
De burgerlijke autoriteiten waren niet erg gecharmeerd van de activiteiten van de oefenaars en van de ongeoorloofde bijeenkomsten van de Afgescheidenen.
Een bekende oefenaar was veenbaas Jan L. Tiesinga uit Appelscha. Hij werd ontboden bij de grietman (burgemeester) van Ooststellingwerf en gewaarschuwd dat hij moest stoppen met “deze dweeperij”.
De waarschuwing van de grietman had weinig succes, want op 7 februari 1836 stichtte ds. De Cock de Afgescheiden gemeente van Appelscha. Jan L. Tiesinga werd ouderling-oefenaar.
Er werd overigens in het begin niet vaak gepreekt, slechts drie keer per jaar. Enkele jaren later werd er echter al drie keer per zondag en op woensdagavond een dienst gehouden.
Eind 1836 werd voor de eerste keer het Avondmaal gehouden waarin ds. De Cock voorging.
Op 28 november 1841 werd Tiesinga, opgeleid door ds. Hendrik de Cock, predikant van de Afgescheiden gemeente te Appelscha.
In het allereerste beging werden de bijeenkomsten gehouden in een kerkje aan de Smidslaan.
In 1841 werd een nieuw kerkgebouw betrokken aan de Vaart Z.Z. 61. Het voormalige kerkgebouw werd later bekend als de kaaszaak van Eisinga.
Een volgende predikant, ds. Van der Scheer, vond dat christelijk onderwijs zeer noodzakelijk was. In 1855 werd hij voorzitter van een commissie voor oprichting van een christelijke school. Dat werd echter een project van de lange adem, want pas in 1892 werd een Vereniging voor Chr. Onderwijs opgericht en het duurde tot 1911 voor de eerste christelijke school werd gebouwd.

De financiële omstandigheden waren slecht waardoor het vaak niet zo gemakkelijk was voor de predikanten om hun pastorale werk te kunnen doen. Het traktement van ds. Van de Scheer bedroeg ƒ 23 per maand + nog ƒ 28 voor turf per jaar! De predikant moest ook behoorlijke afstanden afleggen, want Oosterwolde behoorde ook tot de Afgescheiden gemeente van Appelscha. Pas in 1929 werd Oosterwolde een zelfstandige Gereformeerde kerk.

Het kostte de kerkenraad grote moeite om het traktement te betalen, want de gemeente werd opgeroepen “om in liefde te denken aan de bus bij de deur, teneinde in Zijne behoefte voorzien worde”. Het werd “den Leeraar ook toegestaan om een hok voor zijn varken te maken, hetwelk geschied is.” Er werd een actie op touw gezet om het traktement van de dominee te verhogen met als resultaat dat hij voortaan ƒ 23,33½ per maand ontving. Een loonsverhoging van 1 cent per dag!
Ds. Van der Scheer vertrekt in 1855 naar Lippenhuizen “zonder goede attestatie”, hoewel zijn vrouw wel een goede attestatie ontvangt!
De kerkenraadsvergaderingen werden in de pastorie gehouden, want er was geen vergaderlokaal bij de kerk. De agenda was meestal niet lang en daarom er werd ook vaak gesproken over de “geestelijke werkzaamheden”.
Predikant zijn in een Afgescheiden gemeente was geen lucratieve bezigheid, zeker niet in een arme omgeving. De meesten van hen hadden voordat ze predikant waren geworden een ander beroep gehad, zoals smid, arbeider, landbouwer, schoolmeester, bakker, veenbaas, schaapherder, of timmerman, zoals ds. Van der Scheer.
Zijn opvolger, ds. Wissink, had financieel meer in de melk te brokkelen dan zijn voorgangers. Hij had huizen in zijn bezit en bovendien was hij veenbaas wat anderen hem weer misgunden. Dominee kreeg ruzie met een ouderling over de brede en de smalle weg en er kwamen tuchtzaken aan de orde toen bleek dat “de bevolking van Appelscha meer feestachtig was aangelegd dan de ontplooiing van het geestelijk leven gedoogde”. Er waren soms allerlei ruzies, tuchtzaken en opmerkingen over bepaalde uitspraken in de preek. Kleinigheden werden opgeblazen en er ontstond regelmatig wrijving in de gemeente.
Helaas ook zwarte bladzijden in de geschiedenis van de Afgescheiden gemeente van Appelscha.
In 1886 ontstond er opnieuw een kerkscheuring binnen de Hervormde Kerk, die de Doleantie werd genoemd. In 1892 gingen de meeste Afgescheidenen samen met de Dolerenden en zo ontstond de Gereformeerde Kerk.

Na het vertrek van oefenaar P. Koster, die zich had ingezet voor de bouw van de christelijke school, deed ds. J. Waterink in 1914 zijn intrede te Appelscha. Waterink, die maar drie jaar in Appelscha predikant was, werd vooral bekend als hoogleraar pedagogiek aan de VU te Amsterdam. Heel veel gereformeerden zijn opgevoed volgens de inzichten van Waterink.

Er werd ook wel eens geklaagd dat de jeugd zo rumoerig was tijdens de dienst. Er heerste “wanorde op de kraak” en een aantal jongens waren zelfs aan het kaarten!

Er ontstonden plannen voor een nieuw kerkgebouw. De nieuwe predikant ds. Touwen, voorheen brandstoffenhandelaar te Leeuwarden, maar op grond van “singuliere gaven” op 60-jarige leeftijd predikant geworden, werd bekend als “de bouwpastor”. Met veel inzet ging hij bij gemeenteleden langs om hen onomwonden te vertellen hoeveel ze moesten geven voor een nieuw te bouwen kerk. En … het geld kwam er!
Een nieuw kerkgebouw verrees aan de Van Emstweg en de eerste steen werd door ds. Touwen gelegd op 11 mei 1955.

Tijdens de ambtsperiode van ds. Koeman werd de vergaderruimte “De Aanloop” gebouwd en door hem officieel geopend op 22 mei 1973.
De laatste predikanten en gemeenteleden van de Gereformeerde kerk van Appelscha onderhielden meer en betere contacten met hun hervormde broeders en omgekeerd. Dat resulteerde uiteindelijk in 2013 in een fusie tot de Protestantse gemeente van Appelscha.
De keuze om het kerkgebouw aan de Vaart Z.Z. van voorheen de hervormde gemeente tot het nieuwe kerkelijk centrum te bestemmen, leidde ook tot verzet (en veel teleurstelling) van een aantal leden van de Gereformeerde kerk. Helaas heeft daarmee de eenwording in Appelscha van de beide kerkelijke gemeenten ook sporen van verdriet nagelaten.
Het kerkgebouw en de pastorie aan de Van Emstweg zijn in 2016 gesloopt..